Eind 2013 verscheen het proefschrift van Rene Clarijs ‘de tirannie van de jeugdzorg’. Deze zomer publiceerde hij een vereenvoudigde uitgave om zijn proefschrift ook voor politici en bestuurders toegankelijk te maken. ‘Het is goed, dus het kan beter.’ Een betoog in tien stappen over een succesvolle decentralisatie van de jeugdzorg. Omdat adviseurs van Think Public advies druk zijn met het bieden van ondersteuning bij de decentralisaties in het sociaal domein, ook voor ons verplichte zomerliteratuur.

Clarijs doet op basis van een analyse van de ontstaansgeschiedenis, de huidige effectiviteit en de bestuurlijke manco’s (opgeknipt in tien hoofdstukken) een aantal aanbevelingen voor een succesvolle decentralisatie van de jeugdzorg. Clarijs concludeert in zijn publicatie dat stelselveranderingen tot op heden onvoldoende hebben bijdragen aan verbeteringen. Volgens hem moeten verbeteringen voor het huidige stelsel buiten de bestaande kaders gezocht worden om innovatie teweeg te brengen. Hiervoor mogen wij wederom Einstein serieus nemen met zijn befaamde uitspraak  ‘We cannot solve our problems with the same thinking we used when we created them’. Hieronder een bespreking van het boek.

Zorg om de jeugd
Het boek van Clarijs begint met een beschrijving van de geschiedenis van de Nederlandse jeugdzorg. Hierin gaat hij terug tot aan de oudheid waarin het kind werd beschouwd als een wezen zonder ziel en er niet gek werd opgekeken als een kind werd verstoten door zijn ouders. De eerste jeugdzorg richtte zich dan ook meer op de consequenties van het verlaten van een kind dan op de moraliteit van het verlaten zelf. Vanaf de veertiende eeuw ontstonden scholen en weeshuizen en kreeg de lokale overheid meer bemoeienis met de zorg voor jeugdigen. Pas tijdens de twintigste eeuw wordt de relatie tussen ouders en kinderen niet meer gekenmerkt als een bezitsrelatie maar vanuit verantwoordelijkheid en opvoeding. Als we de afgelopen 5000 jaar beschouwen, is het kind pas aan het einde van dit tijdsbestek in beeld gekomen. Maar deze ontwikkeling richting de focus op het kind lijkt nu door te schieten. De jeugdzorg groeit nu zo snel, dat binnen tien jaar tijd één op de drie kinderen in Nederland met eerste – of tweedelijns jeugdzorg te maken krijgt.

Gelukkige dieven
In 1975 doet Eijer voor het eerst onderzoek naar de effecten van de jeugdzorg. Eijer onderzocht negentig  delinquente jongens van twaalf jaar en ouder, die opgenomen waren in  Instituut Zandwijk in Amersfoort, en als controlegroep een groep jongeren die wegens plaatsgebrek niet werden opgenomen. De jongeren die een residentiële behandeling hadden ondergaan, lieten de eerste drie jaar na het verlaten van de instelling een duidelijke stijging zien van het aantal delicten, misdrijven en overtredingen. Ook in vergelijking met de controlegroep was de stijging groter. Er was wel vooruitgang te zien in relaties met anderen, school, werk en vrijetijdsbesteding. Kortom: het resultaat van de uitvoerde jeugdzorg was dat men van ‘dieven gelukkige dieven heeft gemaakt’. Dit onderzoek lijkt exemplarisch te zijn voor het geringe (evidence based) effect dat de jeugdzorg oplevert.

Een alsmaar groeiende twee lijn
De Nederlandse jeugdzorg wordt gekenmerkt door een positie achter in het jeugdstelsel. De jeugdzorg is gericht op het leveren van zorg en niet op het voorkomen hiervan. Wanneer er weinig tot niets gedaan wordt aan het voorkomen van problemen, ontstaat er automatisch een grotere zorgvraag. Van de 3,75 miljard euro legt de tweede lijn met 3,1 miljard euro het grootste beslag op de publieke middelen (83%!). Bovendien werkt de sector geïsoleerd van andere sectoren en denkt en werkt het op korte termijneffecten.

En we blijven polderen
Ondanks de vele beleidsinvesteringen van afgelopen zestig jaar, zijn politiek, overheid en het werkveld er nog niet in geslaagd om een effectief jeugdzorgbeleid te vormen. De sector innoveert moeizaam als gevolg van ‘padafhankelijkheid’ en ‘institutionalisme’. Bestuurskundige concepten die verklaren waarom bestaande belangen, routines en gewoonten ervoor zorgen dat innovatie lastig is. Clarijs concludeert dat er over de Nederlandse samenleving geen sausje maar een marinade, doordrenkt met het eigen polderen, is uitgegoten. Of zoals Jan Rotmans, de enige transitie-hoogleraar van Nederland het beschrijft ‘Feit is dat transities vaker mislukken dan dat ze slagen’.  Er is volgens Clarijs ook weinig deskundigheid hoe innovaties in de jeugdzorg gestalte moeten krijgen. “Als er wordt geïnnoveerd, loopt men vast”. Innovaties ontstaan het beste in structuren van weinig regels en procedures met beperkt leidershap oftewel chaos. Maar chaos past niet bij de wijze waarop jeugdzorginstellingen werken met voorschriften en protocollen. Langzamerhand komt het besef dat de grootste kans op een geslaagde innovatie het beste van buiten gehaald kan worden.

Open innovation en een grotere rol voor de burger
Clarijs beschrijft verschillende innovatiestrategieën. Eén daarvan noemt hij open innovation (zie ook Open Space) . Met open innovation stapt de organisatie eigenlijk uit zijn eigen praktijk en verbindt zich met anderen. De meest invloedrijke innovaties vinden plaats in samenspraak met of door burgers zelf. Deze nieuwe innovatietechnieken passen bij de positioneringsdriehoek (overheid, markt en burger) van de toekomst, waarbij de burger steeds meer invloed krijgt oftewel; Eigen kracht! In dit opzicht is de decentralisatie ook een logische vervolgstap. De burger zal een dominantere rol gaan spelen, om de balans in de driehoek weer terug te krijgen. 

Verbetervoorstellen uit het buitenland
Door de beperkte innovatiekracht, de vele beleidsvoorstellen, een nog groter aantal commissies die over beleidsveranderingen binnen de jeugdzorg hebben nagedacht, slaat Clarijs de discussie over de effectiviteit van het huidige stelsel graag over. Hij richt zich liever op verbeteringsvoorstellen die het huidige jeugdstelsel aanvullen. Voor zijn twee verbetervoorstellen richt hij zijn blik op het buitenland.

In Nederland is de jeugdzorg gekoppeld aan het eerste milieu (het gezin). De jeugdzorg laat mogelijkheden met het onderwijs (tweede) en vooral het derde milieu (vrije tijd) liggen. Clarijs noemt als voorbeeld hoe dit te doen Rusland, met zijn expliciete beleid van after-school education. De Amerikanen kennen een aanpak die ‘Result Based Accoutablilty (RBA)’heet. Burgers pakken in deze aanpak problemen samen met andere partijen, zoals vrijwilligersorganisaties en bedrijven, stapsgewijs en resultaatgericht aan. Het zijn dus de burgers zelf die het beleid kiezen, plannen, maken, uitvoeren en evalueren. Inderdaad een benaderingen die ook al in de huidige jeugdzorgplannen is terug te zien.

Aan de slag!
Clarijs beschrijving over het onvermogen om te hervormen komt wat pessimistisch over. De uitwerking van de decentralisatie van de jeugdzorg staat nog in de kinderschoenen. De echte kanteling naar een nieuwe stelsel gaat niet ineens. Dat kan ook spanning opleveren wanneer de termijnen in het begin kort zijn. Dat blijkt wel uit de noodwet die het Rijk heeft uitgeroepen om gemeenten aan te sporen met de invoering van de jeugdzorg.

Toch kun je de huidige situatie zien als de start van een kansrijke transitie de verschuiving naar de participatiesamenleving. Clarijs betoog is daarbij een goede waarschuwing dat dit niet vanzelfsprekend is en wel bewuste sturing en blijvende aandacht vraagt. Hij eindigt zijn boek met de conclusie dat de decentralisatie vanuit bestuurlijk oogpunt goed is maar dat het daarom eveneens beter kan. Verbeteringen komen volgens Clarijs voort buiten de bestaande kaders.

Zoekt u denkkracht en concrete begeleiding ‘buiten de bestaande kaders’ dan denken en werken wij graag met u mee!

 

 

Wilt u meer informatie? Neem contact met ons op

info@thinkpublic.eu / 073 888 40 20